Nederlands (Nederland)English (United Kingdom)
Geschiedenis
Geschreven door Wouter Giskes   

VBGES3


De Cane Corso is een hond die zijn wortels in een warm vakantie land heeft (Italië). We gaan ervan uit dat hij afstamt van de woeste oorlogshonden. Uiteraard is dat niet de Cane Corso die wij nu kennen, maar meer de algemene verschijning die we op vage plaatjes tegenkomen van zowat elk dogachtige. Later werd de Cane Corso voor vredelievender doeleinden gebruikt. Hij werd gebruikt op de boerderij om te waken, maar ook om te helpen drijven, als Slagers hond deed hij het ook niet slecht. Hij moest daar het vee opdrijven en zonodig in bedwang houden. Ook kon je de Cane Corso bij de jacht vinden. Daar moest hij het wild opsporen en opjagen. Je zou wel kunnen zeggen dat hij aardig populair was in die tijd. De Cane Corso was eigenlijk een echte allrounder.

Helaas ging die goede oude tijd voorbij en werd de hond een beetje overbodig, waardoor hij nauwelijks nog bekend was. Tot in de jaren vijftig kynoloog prof. Bonatti en prof. Ballotta de Cane Corso tegenkwamen. Ze vonden het meteen een mooi ras en gingen kijken hoe ze de Cane Corso konden terugfokken naar hun oorspronkelijke uiterlijk en voorkomen. Echter kwam het programma niet van de grond, omdat er veel tijd verloren ging naar hun ideaal beeld. In de zeventiger jaren werd er een nieuw fokprogramma opgezet door dr. Stafano Gandolfi, die samen met de broertjes Malavasi, dr. Breber, prof. Morsiani en dr. Ventura in 1983 het SACC (Società Amatori Cane Corso) oprichten. In Mantova werd een selectiecentrum opgezet voor het fokken van de Cane Corso. Bekende namen (van Cane Corso's) die aan het begin staan van de opbouw zijn: Tipsi, Brina en Dauno. Ook in het z uiden van Italië werd er gezocht naar miss Cane Corso van het jaar en de mannelijke equivalent daarvan. Een belangrijke Cane Corso bron bleek Puglia te zijn. De Cane Corso's Plud en Otello komen daar vandaan. Plud was een bekende dekreu van de kennel Dell Dyrium van Vito Indiveri. Bij de opbouw was Otello ook een grote speler.

In 1987 wer
basir-2d er door het ENCI (italiaanse raad van beheer) en het comité van keurmeesters, dr. Antonia Morsiani gevraagd een bijeenkomst te organiseren, om meer eenheid te creëren. In datzelfde jaar werden nog drie bijeenkomsten gehouden. H ieruit kwamen de eerste Cane Corso's uit die het voorlopige stamboom kregen. Eind 1992 vroeg het SACC de officiële erkenning van het ras aan bij de ENCI en op 20 januari 1994 werd de Cane Corso erkend. Op 25 februari 1992, werd de eer ste Cane Corso naar Nederland geïmporteerd door dhr F. Eleonora. Dit was Dir. De tweede hond was Joy. Joy kwam hier op 27 februari 1993. Dhr F. Eleonora heeft diverse honden geïmporteerd en het ras bekendheid gegev en in Nederland. In Arnhem werd in 1997 voor het eerst de Cane Corso geshowd. In datzelfde jaar werd in oktober de Cane Corso Club Nederland opgericht. In maart 1999 heeft het de officiële erkenning van de Raad van Beheer gekregen.

Bron: info o.a. van de Cane Corso Club Nederland

Tip: Klik hier voor een aantal heel interessante artikelen over de geschiedenis van ons geliefde ras
 
Karakter
Intelligent, moedig, waaks, vastberaden, leergierig, nieuwsgierig, speels, enthousiast, rustig, evenwichtig, verdraagzaam, zelfverzekerd, sportief, sociaal, fier, levendig en vriendelijk.

Enkele karakter eigenschappen die je tegenkomt als je opzoek gaat naar informatie over het karakter van de Cane Corso. Als je gaat kijken naar het verleden van een Cane Corso (en dan niet Cane Corso: de stoere oorloghond, maar Cane Corso: de boerderijhond), dan zie je dat de eigenschappen die daar voor nodig zijn, ook terug komen in het bovenstaande lijstje met de karaktereigenschappen. Als werker op de boerderij moest hij stevig in zijn schoenen zijn en moedig, niet bang voor wat vee of een dief. Leergierig, intelligent en enthousiast, enkele eigenschappen die noodzakelijk zijn om een hond goed te kunnen trainen. Niet een over agressieve waakhond die onverwacht bezoek aanviel, maar eerder een evenwichtig en zelfverzekerde hond die ingreep als het echt nodig was. (Waarom de Cane Corso fier moest zijn is mij ook een raadsel, waarschijnlijk omdat de Italianen erg op uiterlijk gericht zijn, het is dan ook een eigenschap die je niet op veel sites tegenkomt.)

Al die eigenschappen zie je nu nog steeds terug bij de Cane Corso van nu, en dat maakt de hond een fantastische hond zich goed kan aanpassen in de maatschappij van nu.
 
Exterieur | Rasstandaard

basir

De Cane Corso Italiano heeft nr 343 op de FCI-standaard lijst.
FCI-classificatie:
Groep 2, Pinschers, Schnauzers, Molossers en Zwitserse Sennenhonden.
Sectie 2.1:
Molosside rassen, type Mastiff

De directe voorouder is van de oude Romeinse Molosser. In het verleden geheel verspreid over Italië. In het recente verleden was het ras gangbaar in de provincie Apulië en in de aangrenzende regio's van Zuid-Italië. Zijn naam is afgeleid van het Latijnse 'cohors', wat beschermer, bewaker van het erf betekend.

Algemene verschijning:

Middelgrote tot grote hond. Robuust, stoer en krachtig doch elegant gebouwd. Droge en krachtige bespieren.


Belangrijke proporties:
De lengte van het hoofd bereikt 36% van de schofthoogte. De bouw van de hond is iets langer dan hoog.

Gedrag en karakter:
Als bewaker van eigendommen, familie en het vee heel levendig en snel reagerend. Werden in het verleden gebruikt bij het hoeden van vee en bij de jacht op groot wild.kopstudie

Hoofd:
Breed en typisch molosserachtig, de bovenste lengte-assen van de schedel en van de snuit lopen iets na elkaar toe. De schedel is breed bij de jukbeenderen: de breedte is groter of gelijk aan de lengte van de schedel. Het breedste deel van het hoofd zit dus naast de ogen. Gewelfd voorhoofd met een goed gemarkeerde stop, die naar het achterhoofd tamelijk vlak wordt. Zichtbare plooi middenvoor. De neus is groot met wijde, open neusgaten en loopt parallel met de neusrug. De neus is zwart. Bij een masker kan de neus dezelfde kleur hebben.

Snuit:
Is groot en zwart met wijde, open neusgaten. De neus loopt evenwijdig aan de neusrug. De voorsnuit is zichtbaar korter dan de schedel, verhouding schedel voorsnuit is 1: 2. Is krachtig en vierkant. De voorzijde van de voorsnuit is recht. De voorsnuit is breed, vierkant, net zo breed als lang. De neusrug is recht en de voorsnuit versmalt nauwelijks of niet naar de neuspunt toe.


Lippen

De bovenlippen van opzij gezien hangen de lippen matig. Ze bedekken de onderkaak zodanig, dat het onderste deel van het profiel gedomineerd wordt door de lippen.

Kaken en tanden

Kaken zeer groot, dik en gebogen. Iets ondervoorbeet (optimaal is 5 mm.). Lichte ondervoorbeet. Tanggebit acceptabel, maar niet gewenst.

Ogen:
Middelgroot, ovaal van vorm, naar voren gericht en licht uitpuilend. Nauwaansluitend ooglid. Kleur van de iris zo donker mogelijk, afhankelijk van de kleur van de vacht. Intelligente en waakse blik.

Oren:

Ongecoupeerd, driehoekig, hangend, met brede inplant, hoog geplaatst boven de jukbeenboog.

Hals:
Sterk, gespierd, even lang als het hoofd.

stand
Lichaam:
Het lichaam is iets langer dan de schofthoogte. Stevig gebouwd maar niet gedrongen. De rug is recht, zeer gespierd en stevig. De lendenen is kort en krachtig, de achterhand is lang en breed, licht schuin aflopend. De borstkas is goed ontwikkeld in drie dimensies en loopt tot aan de elleboog.

De Staart
De staart is hoog ingeplant, breed bij de inplant, en werd gecoupeerd bij de vierde wervel [In Nederland verboden]. In actie wordt de staart geheven, maar nooit gekruld of recht omhoog gedragen.

Voorste ledematen:
De schouder is lang, schuin en zeer gespierd. De opperarm is sterk, de onderarm recht en zeer sterk. De middenvoorvoet is droog en licht hellend, voet als een kat.

Achterste ledematen:

De dij is lang, breed en achterwaarts gewelfd. Het been is krachtig en niet vlezig, de enkel matig gehoekt, middenvoetsbeentjes dik en pezig. De voeten zijn iets minder compact dan de voorvoeten. Het gangwerk bestaat uit lange stap met uitgestrekte draf. Het gewenste gangwerk is draf. De huid is vrij dik en sluit strak aan op de onderliggende lagen.

Vacht:
Kort, glanzend, erg dicht met lichte ondervacht.

Kleur:

Zwart, loodgrijs, leisteen-grijs, licht-grijs, lichtrood, donkerrood (donker geelbruin en reebruin), gestroomd (strepen van verschillende tinten van rood of grijs). In fawn kleurige en gestroomd kleurige honden mag het masker op de snuit niet verder gaan dan de lijn van de ogen. Een kleine witte vlek op de borst, op de uiteinde van de voeten en op de brug van de neus is aanvaardbaar.

formentino grijs-gestroomd1 rood-fawn grijs-leisteen-1
Formentino (fawn grijs masker) Grijs gestroomd Fawn - rood / reebruin zwart masker 
Grijs leisteen
zwart2
zwart-gestroomd-2 zwart-gestroomd-1
Zwart Zwart gestroomd Rood gestroomd


Schofthoogte:
Reu: van 64 tot 68 cm; teef: van 60 tot 64 cm. (Afwijkingen van 2 cm zowel naar boven als beneden toegestaan)

Gewicht:

In verhouding tot de grootte, reu 45 tot 50 kg, teef 40 tot 45 kg.

Fouten:
Iedere afwijking van bovenstaande punten moet als een fout worden beschouwd en de ernst van de fout moet bekeken worden tot de mate en het effect ervan op de gezondheid en welzijn van de hond.

Ernstige fouten:
● Als de assen van de snuit en schedel parallel of te veel naar elkaar toelopen. Of als de zijkanten van de snuit teveel naar elkaar toeloopt,
● Gedeeltelijk niet gepigmenteerde neus,
● Scharend gebit, te grote ondervoorbeet meer dan 10 mm.,
● Krulstaart, staart in verticale positie,
● Permanent kuieren en draf,
● Groter of kleiner dan toegestane hoogte.

Diskwalificatie fouten:
● Agressief of te schuw;
● Elke hond die duidelijke fysieke of gedragsafwijkingen vertoont;
● Assen van de snuit en de schedel lopen uiteen,
● Totaal niet gepigmenteerde neus,
● Holle neus,
● Boven voorbeet,
● Gedeeltelijke of volledige oogleden-depigmentatie,
● Staartloos of te korte staart,
● Halflang of krullend haar,
● Alle kleuren die niet in de standaard genoemd worden, grote witte plekken.

NB: Reuen moeten twee normale testikels hebben die volledig in het scrotum zijn ingedaald.

Bron: info o.a. van de Cane Corso Club Nederland